Graftombe van Nicolaas III van Putten
Graftombe van Nicolaas III van Putten (overl. 1311) en zijn vrouw Aleid van Strijen (overl. 1316), vermoedelijk gemaakt in opdracht van hun dochter Beatrijs. Oorspronkelijk heeft de tombe vrij in het koor gestaan en is, vermoedlijk kort na de reformatie, in een nis in het koor geplaatst. In 1961/62 vond restauratie plaats.

Kapittel

Nicolaas III van Putten en zijn vrouw Aleid van Strijen stichtten bij testament van 1308 een kapittel van tien kanunniken, die in de Geervlietse kerk ‘ten eeuwigen dage’ de getijden moesten zingen tot hun beider zielenheil. Dit leidde tot een flinke uitbreiding van het kerkgebouw. Het kapittel werd gevormd door seculiere geestelijken, die dus niet in kloosterverband, maar zelfstandig en verspreid over Geervliet woonden. Sweder van Abcoude zou het college later nog met vijf kanunniken vermeerderen. Het kapittel heeft zeker bijgedragen tot de welvaart van Geervliet zolang het er binnen de streek voor opgebrachte geld ook daadwerkelijk in Geervliet werd besteed.

In later tijden werden de prebenden, de vergoedingen voor de kanunniken, misbruikt om er koninklijke ambtenaren mee te betalen. Met het overlijden van Jacob van Gaesbeek (1459) was de heerlijkheid Putten aan de graven van Holland gekomen, in feite aan Philips van Bourgondië, die de inkomsten uit het gebied schonk aan zijn zoon Karel de Stoute. De opeenvolgende Heren der Nederlanden namen het met de voorschriften van de stichter van het Geervliets kapittel niet zo nauw, zeker niet waar het betrof de verplichting voor de kanunniken om metterwoon in Geervliet gevestigd te zijn. Het hele kapittel verdween trouwens op last van de paus in 1570 naar Haarlem, Geervliet achterlatend met een wel zeer ruim bemeten kerk, waarvan de onderhoudskosten navenant waren en door de (onmiddellijk na 1572 reformatorische) gemeente nauwelijks meer op te brengen.