Stichting Oud Geervliet
De Stichting Oud-Geervliet werd opgericht in 1972. Zij stelt zich ten doel de geschiedenis van Geervliet te bestuderen, over de resultaten van die studie te publiceren en in het algemeen belangstelling te wekken voor het verleden van plaats en streek. De stichting heeft een kleine oudheidkamer op de zolderverdieping van het oude stadhuis. Hier worden zaken die betrekking hebben op het verleden van de woonplaats bewaard en tentoongesteld. Bezoek in groepen van tenminste vijf personen is mogelijk op afspraak via het secretariaat. De toegang is gratis. Combinatie is mogelijk met een bezichtiging van de oude raadzaal en eventueel de kerk. Voor rondleiding in de kerk wordt € 0,50 berekend ten bate van het restauratiefonds. NB wegens verbouwingswerkzaamheden is de oudheidkamer tijdelijk niet toegankelijk. Op deze site zal de heropening worden aangekondigd. Verder wordt een kwartaalblad OUD-NIEUWS uitgegeven, dat inmiddels aan zijn 24e jaargang toe is. Het blad wordt toegezonden aan de ca 350 donateurs van de stichting, die voor de helft buiten Geervliet, in binnen- en buitenland wonen. Men kan zich bij het secretariaat aanmelden als donateur; de minimumdonatie is € 7 per jaar. Na aanmelding volgt toezending van de in het lopend jaar verschenen nummers van OUD-NIEUWS en een acceptgiro voor betaling van de donatie. Alle jaargangen van het blad zijn o.m. aanwezig op de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag. De stichting heeft een bibliotheek waarvan de catalogus op deze site kan worden geraadpleegd. Secretariaat Bernisseweg 13, 3211 AB Geervliet, tel., e-mail Postrekeningnummer t.n.v. de Stichting Oud-Geervliet te Geervliet Voor betaling van uw donatie rekening t.n.v. de Stichting Oud-Geervliet te Geervliet Penningmeester Molenstraat 13, 3211 AW Geervliet, tel., e-mail Oud-Nieuws Het novembernummer van ons kwartaalblad geeft een overzicht van de familie Sijdervelt die in Simonshaven en Geervliet bestuurlijk een rol speelde. Van twee leden van de familie zijn jeugdportretten bekend. De rubriek Nader bekeken handelt deze keer uiteraard over de grote fototentoonstelling 'Trouwen in Geervliet' De inmiddels 102-jarige mevrouw Barendregt vertelt verder over Geervliet gedurende de Tweede Wereldoorlog. In de serie Geervlietse predikanten komen de predikanten de Jong, Kuyper en Simons aan de orde. Donateur worden… OUD-NIEUWS had ook al bij u in de bus kunnen liggen als u donateur was geweest van onze Stichting Oud-Geervliet. Dat kost u € 7 per jaar. Het is heel simpel: meldt u aan per briefje (secr. Stichting Oud-Geervliet) , telefonisch () of via ons contactformulier of rechtstreeks per e-mail (f.van.hoorn@freeler.nl) Nieuwe donateurs In de afgelopen periode meldden zich de volgende donateurs aan Tentoonstelling Gedurende de laatste twee weekends van september organiseerden wij in het koor van de N.H.kerk te Geervliet een tentoonstelling ‘Trouwen in Geervliet’, gecombineerd met de panelen ‘Bruidssuikers en Witttebroodsweken’ van het Ned. Centrum voor Volkscultuur. Er kwamen 346 bezoekers. Beknopte geschiedenis van Geervliet (tekst F.van Hoorn) De eerste vermeldingen van Geervliet houden verband met de aldaar in 1179 gevestigde tol op de Bernisse, een brede vaarweg die de eilanden Voorne en Putten van elkaar scheidde. Mogelijk was deze tol gevestigd op een stelle of terp. De latere 'Zuid-Hollandse Eilanden' op de kaart van Christiaan van Sgroten (eind 16e eeuw) De inpoldering van 'de vorsche daer Gheervliet in leyt' is niet precies te dateren. In 1246 hadden de heren van Putten er een versterkte hoeve. Het Land van Putten omvatte toen behalve de eilandjes die aaneengroeiden tot het huidige eiland Putten een deel van de huidige Hoeksche Waard, een deel van het eiland IJsselmonde en een deel van het huidige Goeree-Overflakkee. Zetel van het bestuur was Puttenstein nabij Heinenoord. In de strijd met de Vlamingen (waarbij de voor deze buren zeer nadelige tol de inzet was) werd dit slot in 1304 verwoest en de heren vestigden zich op hun Geervlietse hof. Geervliet werd daarmee hoofdplaats van Putten. Binnen de stippellijn het oorspronkelijke rechtsgebied van de heren van Putten. Door zijn huwelijk met Aleid, erfdochter van Strijen, breidde Nicolaas III (1276 - 1311) zijn invloedssfeer uit tot in Brabant Inpoldering Bij de inpoldering van het eilandje waarin Geervliet als woonplaats zou ontstaan heeft men een werkwijze gevolgd die gangbaar was voor aan vaarwater gelegen opwassen. Men legde er een dijk om, die men ter plekke van een grotere afwateringskreek in een boog rond die kreek liet lopen. Afwatering vond daarna plaats door een sluis en de buitendijks gehouden kreek werd een bijna natuurlijke haven. Langs deze dijk ontstond bebouwing, eerst aan de buitenzijde. Aan de binnenzijde was kaderuimte voor activiteiten die betrekking hadden op de tol en bij uitbreiding op de zeehandel in het algemeen alsook de visserij. De enkele bewaard gebleven oude tolrekeningen geven een idee van de veelheid en variatie van hetgeen werd aan-, af- en doorgevoerd. Vanaf de hoefijzervormige dijk ontsloot een polderpad het achterliggend land. Daaraan werd, op enige afstand van de haven, de aan de H. Maagd Maria gewijde kerk gebouwd, mogelijk in eerste instantie als kapel behorend bij de naastgelegen Hof van Putten. Al in 1277 wordt de Geervlietse parochie genoemd als bijdragende in de kosten van een van de kruistochten. Grond behorende tot die heerlijke hoeve werd tegen jaarlijkse vergoeding in de vorm van kapoenen ter bebouwing uitgegeven. Deze gesneden, gemeste hanen werden later door een geldswaarde vervangen. Er ontstond een stratenplan dat al vermeld wordt in een kapoengeldenlijst van 1451 en dat nog altijd ongewijzigd aanwezig is: Kerckstraet, Tollestraet, Sinte Anthonisplaetse, Molenstraet en Visschersziede. Het gaaf bewaard gebleven stratenplan was een van de argumenten op grond waarvan Geervliet in 1975 tot beschermd stadsgezicht werd verklaard. Graftombe van Nicolaas II van Putten (overl. 1311) en zijn vrouw Aleid van Strijen (overl. 1316), vermoedelijk gemaakt in opdracht van hun dochter Beatrijs. Oorspronkelijk heeft de tombe vrij in het koor gestaan en is, vermoedlijk kort na de reformatie, in een nis in het koor geplaatst. In 1961/62 vond restauratie plaats Kapittel Nicolaas III van Putten en zijn vrouw Aleid van Strijen stichtten bij testament van 1308 een kapittel van tien kanunniken, die in de Geervlietse kerk 'ten eeuwigen dage' de getijden moesten zingen tot hun beider zielenheil. Dit leidde tot een flinke uitbreiding van het kerkgebouw. Het kapittel werd gevormd door seculiere geestelijken, die dus niet in kloosterverband, maar zelfstandig en verspreid over Geervliet woonden. Sweder van Abcoude zou het college later nog met vijf kanunniken vermeerderen. Het kapittel heeft zeker bijgedragen tot de welvaart van Geervliet zolang het er binnen de streek voor opgebrachte geld ook daadwerkelijk in Geervliet werd besteed. In later tijden werden de prebenden, de vergoedingen voor de kanunniken, misbruikt om er koninklijke ambtenaren mee te betalen. Met het overlijden van Jacob van Gaesbeek (1459) was de heerlijkheid Putten aan de graven van Holland gekomen, in feite aan Philips van Bourgondië, die de inkomsten uit het gebied schonk aan zijn zoon Karel de Stoute. De opeenvolgende Heren der Nederlanden namen het met de voorschriften van de stichter van het Geervliets kapittel niet zo nauw, zeker niet waar het betrof de verplichting voor de kanunniken om metterwoon in Geervliet gevestigd te zijn. Het hele kapittel verdween trouwens op last van de paus in 1570 naar Haarlem, Geervliet achterlatend met een wel zeer ruim bemeten kerk, waarvan de onderhoudskosten navenant waren en door de (onmiddellijk na 1572 reformatorische) gemeente nauwelijks meer op te brengen. Stadsrecht Tegen het eind van de 14de eeuw waren de heren van Putten edelen wier voormoeder weliswaar Putten als erfdeel aanbracht, maar die niet meer op hun Geervlietse Hof woonden. Bestuurlijke zaken werden overgelaten aan een ruwaard en zelfs deze functionaris woonde op de duur niet meer op het slot, maar liet zich op zijn beurt vervangen door een stadhouder. Sweder van Abcoude verleende in 1381 aan Geervliet een stadsrecht, dat voornamelijk tot doel had de handel te beschermen en dus te bevorderen, niet in de laatste plaats ter vermeerdering van het aandeel in de omzet dat aan de heer zelf toekwam. Onder Jacob van Gaesbeek, Sweders zoon en opvolger, kreeg de nieuwbakken stad een ommuring en vier poorten: Landpoort, Tolpoort, Kalkpoort en Guldenpoort. De laatste was al vóór 1537 verdwenen, de Kalkpoort werd in 1651 voor het laatst vermeld, de Landpoort werd in 1746 gesloopt en tenminste een deel van de Tolpoort hield het vol tot 1851. In dat jaar wordt althans door de gemeenteraad gesproken over het slopen van de laatste resten, die in ieder geval nog een soort gevangenis moeten hebben bevat, want men maakt er zich zorgen over waar men dan met eventuele arrestanten heen moet. Stadszegel van Geervliet ten tijde van Jacob van Gaesbeek (overl. 1459), de laatste heer van Putten De poorten zullen zeker van eenvoudiger makelij zijn geweest dan het trotse stadszegel suggereert. De muren (overigens blijkens onderzoek van de nog aanwezige fundering het formaat van een flinke tuinmuur niet overschrijdend) moesten door aanwonenden onderhouden worden, een vorm van privatisering die niet bepaald bevorderlijk bleek voor hun behoud. De stenen, ooit ter plekke in een veldoven gebakken op een stuk land dat nog eeuwen Steenplaats zou heten, verdwenen voor hergebruik in de Geervlietse huizen. Een ander stedelijk statussymbool was het gasthuis, dat in 1346 door Beatrijs van Putten, Nicolaas' oudste dochter, werd gesticht ter hoogte van de uitwateringssluis tussen polder en haven. Het moest dienen als onderdak voor armlastige passanten en eventueel tot huisvesting van de eigen armen. Een inpandig kapelletje werd vanuit de parochiekerk bediend. Anders dan in vele steden kreeg het gasthuis later niet de functie van ziekenhuis maar kwam, blijkens een eerste vermelding in 1516, in gebruik als stadhuis. Al in 1246 dateert een heer van Putten 'in mijn wining in Geervliet'. Na 1304 werd Geervliet zetel van het bestuur van Putten en groeide de 'heerlijke hofstede' uit tot een kasteel. Deze afbeelding uit 1749 is opgenomen in 'Nederland Verheerlijkt'. Het hoofdgebouw werd in 1823 gesloopt; gaandeweg volgen de bijgebouwen. De fundering ligt deels onder de provinciale Groene Kruisweg Het Hof of Slot van Putten diende tot de Franse tijd als onderdak voor de Hoge Vierschaar van Putten. Met de invoering van de nieuwe indeling in kantons en arrondissementen verviel de functie van het oude landgerecht en daarmee die van het gebouw. Het werd in 1819 door Domeinen verkocht en rond de tijd van invoering van het kadaster stukje voor beetje gesloopt. We vinden de restanten nog aangegeven op de kadastrale minuutkaart van Geervliet. Wapenborden en schoorsteenstukken uit de rechtzaal werden naar het stadhuisje overgebracht en zijn nog altijd te bewonderen in de raadzaal. Deze vroegere 'gemeenelandskamer' werd in 1632/34 op kosten van het dijkcollege van de Ring van Putten als etage op het oude gasthuis gebouwd om te dienen als vergaderruimte, met een eigen toegang via een bordes. Na de gemeentelijke herindeling van 1980 bleef het stadhuis nog enkele jaren in gebruik voor een secretarieafdeling. Na de bouw van een nieuw gemeentehuis voor Bernisse in Abbenbroek wordt er in de voormalige raadzaal nog altijd getrouwd. Verlanding van de Bernisse Voornaamste oorzaak van het verval van wat in de wandeling bijna idyllisch 'het stedeke Geervliet' werd genoemd was de snelle verlanding van de Bernisse. Veranderingen in de natuurlijke loop van vele watergangen in dit gebied deden de breedte van deze eens zo machtige stroom vooral aan de Geervlietse kant (in de binnenbocht) snel afnemen. Jacob van Deventer maakte tussen 1555 en 1560 in opdracht van de Spaanse koning een atlas van alle verdedigbare steden in de Nederlanden. Op de kaart van Geervliet is te zien hoe ver de verlanding van de Bernisse dan al gevorderd is. Ook de situering van de Hof van Putten ten zuiden van de kerk is goed te herkennen Polders als Oud- en Nieuw Hoenderhoek, Tolland, Guldeland, Rammeland en Noordeland worden terecht als Bernissepolders aangeduid. Landhonger van de zijde van de agrariërs speelde bij deze inpolderingen uiteraard ook een rol. De scheepvaart zocht zich inmiddels nieuwe wegen. Al in 1552 werd een wachthuis van de Geervlietse tol geopend aan het Spui bij Hekelingen, waar al gauw het honderdvoudige aan tol werd binnengehaald van wat er in Geervliet nog te innen viel. De haven moest inmiddels om nog verbinding met het buitenwater te houden steeds worden verlengd en de getijden, die de haven op diepte moesten houden, verloren zo hun effect. De kosten van de vele baggerwerkzaamheden, in die tijd nog allemaal handwerk, werden hoger dan de baten van de haven. In 1602 was de Bernisse zo smal geworden dat het veer uit de vaart werd genomen en tussen Geervliet en het Voornse Heenvliet een brug werd gelegd. Beeld van de haven vanaf de Kaaistraat met de achterzijde van de huizen in de Tolstraat. Door verlanding van de Bernisse werd het effect van de getijden zo gering, dat regelmatig moest worden uitgediept. Tenslotte waren de kosten hoger dan de baten en werd het laatste stuk van de haven niet meer gebruikt. Met de afsluiting van de Brielse Maas was er helemaal geen verbinding meer met open water Een brugtol moest het verloren gaan van het oude veerrecht compenseren. Geervliet, ooit voorbestemd om een handelsstad van betekenis te worden, werd een puur agrarische gemeenschap. Stadsboerderijen ontstonden o.a. langs Tolstraat en Kerkstraat, met het huis aan de straat en de bedrijfsruimte langs de Achterweg, nu Schoolstraat geheten. Ook aan de havenzijde, waar geen behoefte meer was aan kaderuimte, werd gebouwd, wat kleinschaliger dan langs de buitenzijde van de Tolstraat. Als om het vergaan van de oude glorie definitief af te maken verwoestte in 1743 een grote brand tientallen huizen en schuren, die goeddeels op de oude funderingen werden herbouwd. Middelen van bestaan Landbouw was in vroeger dagen hand- en paardenwerk. Uit boedelrekeningen blijkt, dat grote boerderijen vaak meer dan tien paarden aan het werk hadden. Het is dus niet verwonderlijk dat er in Geervliet doorgaans twee, soms drie smeden actief waren. Al op de kaart van Jacob van Deventer is aan de Ringdijk ten zuidwesten van Geervliet bebouwing te zien. Het is een boerderij, naar de oudst bekende eigenaar, Dammis Dirkszoon, 'Dammestee' genoemd. De stee is in 1777 geheel herbouwd en thans in restauratie. Het complex heeft geen agrarische bestemming meer Het Kohier der Huizen van 1597 vermeldt verder de gebruikelijke handwerkslieden en een overmatig aantal tapperijen. Waar veel armoede heerst wordt paradoxaal genoeg ook veel gedronken. Aan de overheid gerelateerde functies als nachtwaker, turftonder, schoolmeester, koster, chirurgijn, bode, sluiswachter, omroeper en asman leverden per stuk geen bestaan op en werden dus in soms merkwaardige combinaties vervuld. Zelfs de 'betere' functies als burgemeester, stadsontvanger of secretaris werden doorgaans als nevenactiviteit uitgeoefend. In de zeventiende eeuw waren de Geervlietse burgemeesters boeren en maakte de secretaris voor het schrijfwerk een hoekje van zijn kleermakerstafel vrij. Het merendeel van de bevolking verdiende de kost als landarbeider, vaak als dagloner. 'Onder de Meijboom', rond een kastanjeboom op een pleintje dat men nu met veronachtzaming van een eeuwenoud stadsrecht Dorpsplein noemt, kwamen tot aan de Tweede Wereldoorlog toe in de vroege ochtend de arbeiders bijeen, in de hoop door de meesterknecht van een van de boeren te worden uitverkoren voor weer een dag werk en dus inkomsten. Voor de gelukkigen volgde een lange dag van hard werken, zoals het handmatig wieden, waarbij men na enkele uren werk zowaar enkele minuten mocht 'opzien'. In de winter waren veel gezinnen afhankelijk van diaconie en burgerlijk armbestuur. Een welkome aanvulling op de werkgelegenheid vormde een grutterij , in 1702 als rosmolen gestart in de Kerkstraat. Latere eigenaren gingen over op stoomkracht en de eerste elektrische aansluiting in Geervliet gold ook weer de grutterij, toen al uitgebreid met een afdeling die peulvruchten verwerkte. Latere hoogbouw ontsierde het silhouet van Geervliet en in de fabriek, door de plaatselijke overheid tenslotte alleen nog maar gedoogd, werd niet meer geïnvesteerd. Sloop volgde in 1985; ter plekke werd de enige nieuwbouw binnen de oude kern gerealiseerd. Inmiddels zijn ook de boerenbedrijven naar buiten de kom verbannen en vindt de bevolking voornamelijk werk in de industriegebieden van Botlek en Europoort. Tussen 1950 en 1960 vond al kleinschalige nieuwbouw plaats. Rond 1970 werd naar Geervlietse begrippen grootschalige woningbouw uitgevoerd, geheel buiten de oude kern. Verdere nieuwbouw was daarna vele jaren onmogelijk in verband met zoneringsbepalingen met betrekking tot geluidsoverlast van de aanpalende industrie van Botlek en Europoort. Demografische gegevens Zoals voor de meeste plaatsen zijn gegevens over aantallen inwoners maar moeizaam te vinden en moeten vaak nog met soms aanvechtbare formules worden afgeleid uit wel beschikbare gegevens. Zo zullen opgaven van het aantal huizen nooit tot een exacte vaststelling van het aantal bewoners kunnen leiden. In gelijke mate geldt dit voor bronnen die het aantal weerbare mannen vermelden of dienen om de bedragen van zout- of herengelden vast te stellen. Voor de gemeente Geervliet doet zich dan bovendien de moeilijkheid voor, dat in de periode 1811-1817 en na 1855 de gegevens doorgaans de totaliteit van Geervliet, Simonshaven en Biert betreffen. Geervliet, Biert en Simonshaven vormden van 1811 tot 1817 en van 1855 tot 1980 één gemeente. Met Heenvliet, Abbenbroek, Zuidland en Oudenhoorn gingen de drie daarna op in de nieuw gevormde gemeente Bernisse. Omdat Geervliet enerzijds en Simonshaven en Biert anderzijds steeds aparte kerkelijke gemeenten bleven vormen zijn daaraan gerelateerde bronnen nog het meest specifiek, maar beperken zich doorgaans tot gegevens over lidmaten. Oude tellingen die voor veel streken waardevolle informatie bieden waren de 'Inquisitie' van 1369, de 'Enqueste' van 1494 en de 'Informacie' van 1514. Helaas viel het gebied van Voorne-Putten buiten al deze onderzoeken. Met enige reserve kunnen we voor Geervliet de volgende cijfers geven: Het Kohier der huizen van 1597 telt 92 gebouwen binnen en 10 buiten de stad. Het kohier van het hoofdgeld vermeldt in 1622 een aantal van 491 inwoners. In 1730 geeft het Kohier der verponding een aantal van 95 huizen. Dit spoort aardig met de 99 gezinnen die in 1793 de Naamlijst der Huisgezinnen opgeeftt. Voor 1797 meldt Van Ollefen/Bakker - uit niet vermelde bron - 416 inwoners. De volkstelling van 1805 geeft een aantal inwoners te zien van 461. De acta van de Ned. Herv. gemeente spreken 15 jaar later over '460 tot 470 zielen'. Van begin 17de tot begin 19de eeuw zien we dus een redelijk constant aantal inwoners. Ook later is de stijging voorlopig niet spectaculair. De Kadastrale Uitkomsten v. N. en Z.-Holland van 1832 vermelden 541 inwoners. Het Kohier van de hoofdelijke omslag van 1846 komt op 586 personen. Rond 1900 telt men ruim 700 Geervlieters. Na enige nieuwbouw in 1957 passeert men de 1000 en in deze tijd telt de kern rond de 2000 inwoners. Joodse begraafplaats In 1781 gaf Geervliet aan de joodse gemeente van Heenvliet een strook land aan de voet van de Spuikade in eeuwigdurende pacht om te worden ingericht als begraafplaats. In later jaren werd dit steeds meer een rustplaats voor joden uit geheel Voorne-Putten en werden er aansluitende percelen voor aangeworven. Op 2 december 1940 vond de laatste begrafenis plaats. Op 24 november 1943 werd de begraafplaats op last van de Duitse bezetter gesloten verklaard. Bernissemolen Kort na de verlening van stadrecht aan Geervliet in 1381 werd de getijdemolen aan de kop van de haven vervangen door een windkorenmolen, gebouwd op de zolder van een oude verdedigingstoren. Eind 16e eeuw werd de molenopbouw vervangen door een nieuwe, net als zijn voorganger van hout. In 1851 brandde de molen af en werd nog datzelfde jaar in de huidige vorm herbouwd. Na 1947 is de molen buiten bedrijf geraakt en werd in 1959 geheel gerestaureerd. Sindsdien is er een restaurant in gevestigd. De 1,60 meter dikke muren van de oorspronkelijke onderbouw overleefde alle eeuwen; men kan de schietsleuven nog altijd van buitenaf zien. Door een 'vrijwillige molenaar' wordt het lopende werk één dag in de week gaande gehouden. voormalig stadhuis In 1346 door Beatrijs van Putten gesticht als gasthuis. Rond 1515 in gebruik als stadhuis. Etage en bordes opgebouwd in 1632-1634 als vergaderruimte voor het dijkcollege van de Ring van Putten. Later werd deze 'gemenelandskamer' ook vergaderruimte voor het stadsbestuur. Huidige gevel met 'gezwenkte top' dateert van 1823. Mogelijk werden bouwelementen gebruikt uit in dat jaar gedeeltelijk gesloopte Hof van Putten. Daar kwamen ook de hier nog aanwezige schoorsteenstukken en wapenborden vandaan. Laatste grote restauratie in 1964-1966. Bovenverdieping is nog altijd in gebruik als trouwzaal voor de gemeente Bernisse. Ned. Hervormde kerk Mogelijk ontstaan als kapel op de grond rond de Hof van Putten. De parochie van Geervliet wordt al in 1277 vermeld. In 1308 wordt aan de kerk een kapittel van tien kanunniken verbonden, later met nog vijf plaatsen uitgebreid. Uit die tijd dateert het grote koor. Kerk en koor zijn kort na 1515 praktisch geheel herbouwd. Het schip is driebeukig en van het dwarsschip ontbreekt de zuidarm. Een renaissance koorhek scheidt kerkruimte en koor. In het koor zijn de meeste nog aanwezige grafzerken verzameld. Heel bijzonder is de graftombe in Bentheimer steen, waarop de stichters van het kapittel liggend zijn uitgebeeld. De kerk, oorspronkelijk gewijd aan de Maagd Maria, ging onmiddellijk na 1572 over naar de Hervormde gemeente. Landswerf De Landswerf (de naam stamt uit de 18e eeuw) heeft deel uitgemaakt van het complex dat onderdak bood aan de diverse aan de kerk verbonden kanunniken, die overigens niet in een soort kloosterverband leefden, maar 'seculiere geestelijken' waren. De oudst bekende eigenaar was inderdaad een kanunnik. In de 17de eeuw was het de woning van enkele opeenvolgende predikanten. Later woonden er de stadhouders van het Land van Putten, de zaakwaarnemers van de Ruwaard. Na 1870 werd het geheel verbouwd tot negen min of meer zelfstandige 'woon'- eenheden, zodat dit het geboortehuis werd van menige oude Geervlieter. In 1977 werd het gebouw van de totale ondergang gered en prachtig gerestaureerd tot twee woonhuizen. De bibliotheek van de Stichting De stichting heeft een bibliotheek waarvan de catalogus op deze site kan worden geraadpleegd. Uitlening (alleen aan donateurs) is gratis met een leentermijn van maximaal drie maanden. Enkele oude boeken worden alleen in fotokopie uitgeleend. Bij toezending zijn portokosten heen en retour voor rekening van de aanvrager. Laatste aanwinsten In de afgelopen weken konden we voor de bibliotheek de volgende aanwinsten noteren. 833. Willy Hilverda (red.) - Natte voeten; lesbrief voor de onderbouw van het voortgezet onderwijs; zpl. 2003 834. A.J.M.Tetteroo - De woelige jaren van Rozenburg, 1950-1970; Rozenburg 1993 835. C.Hollaar - Families Hollaar, Voorne en Putten; Beverwijk 1989 836. M.C. van Trierum ea - BOORbalans 1; Rotterdam 1988 837. H.Sarfatij (red.) - Verborgen steden, stadsarcheologie in Nederland; Amsterdam 1990 838. J.Koolhaas Revers - Evacuaties in Nederland, 1939-1940; Den Haag 1950 839. H.M.Brokken ea (red.) - 150 jaar Noord-Holland en Zuid-Holland; Den Haag 1990 840. Jan Dijkstra - De watermakers; Rotterdam 1974 841. drs. B. ter Molen-den Outer - Ambtsketens van burgemeesters in Nederland; Den Haag 1979 842. mr. J.H.Kreuzenkamp - Gemeentewapens in Nederland; Den Haag 1989 843. Tom van Beek - Paspoort, een parade van Nederlandse reisdocumenten, Amsterdam 1995 844. Jan Nieuwenhuis - Van poort tot poort, ontwikkelingsgeschiedenis van het Rotterdamse stadsgebied; Rotterdam zj 845. H.C.Pouls - Landmeters op Voorne-Putten, publicatiereeks Stg. Streekhistorie Voorne-Putten en Rozenburg nr. 19; Bernisse 2003 846. Prof.dr.David Nicholas - Stad en platteland in de middeleeuwen; Bussum 1971 847. Henk Vegter - De Sint Catharijne, een monument van geschiedenis en kunst; Brielle 2003 Hyperlinks naar interessante sites Streekgebonden sites www.historischmuseumdenbriel.nl Historisch Museum Den Briel www.inter.nl.net/users/F.Keller/Tromp.html Vereniging Vrienden van het Historisch Museum Den Briel www.streekarchiefvpr.nl Streekarchief Voorne-Putten en Rozenburg Genealogie Genealogie.pagina.nl Startpagina voor genealogie En dan nog uit het allereerste nummer van OUD-NIEUWS (november 1979) het volgende artikel: F. van Hoorn De hensbeker en de drinkboeken van Putten Wie in de raadzaal van Geervliet rondkijkt, ontdekt in een hoekje, half achter een van de fraai bewerkte deuren, een kastje, versierd met het wapen van Putten. Te ruim behuisd hangt hierin tegen de achterwand een lint met medaille, teken van waardigheid van de bode van het Land van Putten. Tot voor enkele jaren stond stond in dit kastje de zogenaamde hensbeker. In 1954 ging het Hoogheemraadschap van Putten op in het waterschap De Brielse Dijkring. Toen dit waterschap in Brielle zijn definitieve behuizing had gekregen verhuisde de hensbeker daarheen en prijkt er nu in een vitrine in de vergaderzaal. Eeuwenlang was de raadzaal van Geervliet tevens vergaderzaal van Dijkgraaf en Heemraden. Al in 1516 werd bepaald, dat jaarlijks rond half mei de rekening over het Land van Putten zou worden gedaan int gasthuys tot Gheervliet dat men hout voort stadhuys aldaer. Aan de 'gemenelandskamer' , zoals de huidige raadzaal in verband met het gebruik door het dijkcollege werd genoemd, werd in de loop der jaren heel wat verbouwd en vertimmerd op kosten van de landeigenaren in de gehele Ring van Putten. Aan het hoofd van het dijkcollege stond de opperdijkgraaf, doorgaans tevens ruwaard-baljuw van het Land van Putten. Hij werd terzijde gestaan door vijf hoogheemraden. Twee van hen moesten 'binnenlands' zijn, d.w.z. binnen Putten woonachtig. De overige drie waren 'buitenlandse' hoogheemraden. Een belangrijke rol speelde ook de secretaris, die vaak ook secretaris van Geervliet was. Zoals in vele besturen bestond ook hier de gewoonte dat een nieuwkomer ter gelegenheid van zijn eerste vergadering een flinke bokaal wijn ledigde op de gezondheid van zijn mede-leden. De hiervoor gebruikte bokaal werd ook wel hensbeker genoemd (henze- of hanzebeker = gildebeker) Die van Putten is ca 28 cm hoog. De zilveren voet heeft een hoogte van 12 cm. De glazen kelk heeft een middellijn van 11 cm. Aan één zijde is het wapen van Putten gegraveerd. Aan de andere zijde vinden we dat van Gualterus de Raet, Ridder, Baronnet, Heer van Dubbeldam en Kyffhoek, Raed en Oud-Burgemeester der Stad Rotterdam en wegens derzelve gedeputeerde ter Admiraliteit op de Maze, Raed en Generaelmeester van de Munten deser landen, Meester Knaep van de Wildernisse van Hollandt en West-Vrieslandt, Ruard en Bailliuw en Opperdijkgraeff der Landen van Putten. Hetzelfde wapen met de rode handschoen van Ulster zien we ook op het schoorsteenstuk in de raadzaal. De beker is aangekocht in 1739. In de rekening van dat jaar staat een post van f 31:15:-- betaelt aen Johan Daniël Johne over leverancie van een glazen bocael met zijn deksel en tselve gegraveert met het wapen der Lande van Putten nevens dat vanden Hr. Opperdijckgraeff en verdere ornamenten. Het deksel is verloren gegaan. De zilveren voet is van later datum. Misschien diende deze ter vervanging van de glazen voet. Twee jaar eerder staat een uitgave geboekt van f 28:--:-- aan dezelfde Johne, eveneens voor een bokaal met deksel mitsgaders voort snijden van het zelve. We moeten aannemen dat deze kort daarna gebroken is. Wellicht slaat hierop de eerste regel van een versje in het drinkboek, in 1740 geschreven Dus aen het nieuwe glas gaf ik een nieuwen soen…
Hoewel er meerdere malen sprake is van crystallijne romers, die doorgaans met vier of zes stuks tegelijk werden aangekocht, heb ik van een eerdere bokaal of hensbeker in rekeningen noch resolutieboeken enig spoor kunnen ontdekken. De veel gehoorde bewering dat er een ouder drinkboek zou zijn dan dat aanvangende in 1738 houd ik vooralsnog voor onbewezen. In het archief van de Ring van Putten en het Hoogheemraadschap van Putten zijn twee drinkboeken aanwezig. Er is er een van 1738 tot 1862, gebruikt op de schouw- en rekeningdagen. In 1771 is een tweede boek aangelegd voor gebruik op de gemenelandse rekeningdagen. Dit laatste boek loopt door tot 1869, waaraan later nog op één bladzijde aantekeningen zijn toegevoegd over 1921, 1931 en 1944. De aantekeningen in het drinkboek zijn zeer verschillend van aard. Sommige bokaaldrinkers volstonden met het plaatsen van hun handtekening of merkteken. Vaak voegden zij er wensen aan toe aan het adres van hun mede-bestuurders: Ik onderget. wens dat de hemel sal geven Dat dijkgraaf en heemraden van Putten lang leve (Jacobus Braet Jacobsz. 1739) of: In achttienhonderd elf
dronk ik den beker zelf als lit van dit bestuer lang mag sijn van duer (K.Hoogenboom, 1811) en: Dat den schoonen ring van Putten Nog veel eeuwen blijve in stand.
Dat Godts Almagt haar beschutte Voor den oorlog, pest en brand, Is den Wensch (moet ieder weeten) Van die hier voor 't Eerst komt Eeten (Cornelis Pronk, 1749) Soms werd een rijmpje toegevoegd, dat zo kon zijn weggelopen uit onze tegenwoordige poesie-albums: Ider een van pas te maken van ider een te zin bemint het zin de onmogelikste zaken die men in de werelt wynt (Klaas de Jongh, 1739) Maar ook werden er rijmpjes kennelijk voor de gelegenheid bedacht: Ik ben een boertie en een vetweijer Ik hoop dat God mij zal geleije En dat wense ik aan de vrenden alle gaar die op dese rekening zein vergaart (Job Oprel, 1739) Verwijzingen naar eigen beroep of kwaliteit komen meer voor: Cornelis Vlielander van Suidlandt die boud nae sijn voorstandt (1763) en: Den ondergetekenden heeft de bocael gedronken
in qualiteit als eygenaar voor de helft van de landerije bij de wooningh zeerust onder Simonshaven (H.v.d.Salm, 1766) Heel veel aantekeningen hebben betrekking op het drinken zelf; de hoeveelheid werd kennelijk als een prestatie gezien: Op de schouw van damme en dijke heb ik den beker gedronke sonder beswijke (P.Boellaard van Thuyl, 1771) of: Nooit heb ik een bocaal gedronken als die mij heden is geschonken (W.F.Croiset, 1780) Een beetje opscheppen mag ook: Indien ik was soo sterk
als ik wel plagt te weezen ik dronk het glas nog eens nu is het wel met dezen (P.Gevers als leenman) Sommige schrijvers zoeken het in het leutige: 't Vaderlantje lieff en alle mooije meisjes (J.Rijns-ent, 1739) Anderen zijn zijn bepaald spits in hun woordspelingen: Kan men hier so veerse maake (= verzen of vaarskalveren)
onder Drinke van den Wijn Sal het Landt vol beeste rake Dan hoeve der geen Stiere te zijn (Cornelis Villerius, 1750) Ook de ernstige toon ontbreekt niet: So hier van velen hun naem geset Maar verdient hier eens op gelet Soo ras hier tien jaer is verstreken Hoe vele der van ons ontbreke (Cornelis Hoogendam, 1739) De rekeningdagen werden door jong en oud bezocht: Ik ben een jonge spruijt Negentien jaar geprese Mijn vader die wordt oudt Daarom zoo zondt hij mijn. Hij zeij ge hebt geen eens
voor den Romer te vreesen den Ruwaart schenkt daarin maar net een flesjen Wijn (B.Hoogendam, 1750) of sterker nog: Ik Jan Dirk Preuijt Dronk de bokaal ten nutte van den Ring van Putte in mijn dertiende jaar de heer behoed oud en jong allegaar. Neemt mijne jaren in acht en maak het beter (1814) Maar daarentegen ook: Ick out vijf en sestig jaer heb gedronken den romer weijn seer waer (Jan van der Hoeck, 1750) In later jaren bleef het drinken van de beker niet beperkt tot het eerste bezoek aan de vergadering. Een aanleiding was gauw gevonden. Eigen huwelijk of dat van zoon of dochter, de geboorte van kind of kleinkind, het waren allemaal redenen om de bokaal te drinken. Of niet. Indien het was een zoon ik dronk het glas vol uit. Nu is het maar een meid ach, was het tot besluyt. si credere fas est (indien men het geloven mag) (H.Witte, 1774) In 1779 schrijft dezelfde Hermanus Witte: 't Is even twee paar jaar dat 'k in dit boek mogt schrijven En wel beloven wilde indien ik kreeg een zoon Ik dan den beeker zou uytveegen ras en schoon Die tijd is thans nu daar wel aan, ik moet dan blijven een man al van mijn woord en drinken 't glas maar uit Daar blijdschap mij besielt en niets mijn welvaart stuit Zo kon P.de Raat in 1809 naar waarheid schrijven: Het kale hoofd met dertien kinderen heeft het grote glas zoals het was meer als tienmaal gedronken zonder hinder Bij die tien keer is het trouwens niet gebleven, want in 1818 vinden we: Omdat ik zeyde dat den Hoogheemraad Pl.Bast. de Raadt de Bocaal met water en wijn dronk, wierd ik gecondemneert om de bocaal te drinken, hetwelk ik op heden voor de tweede maal gedaan heb (Villerius) Ook het maken van fouten werd bestraft met de bokaal: In plaats van 4 zoo schreef ik 9 en daarom moest ik 't glaasje leegen (J.v.d.Zaag, 1779) en: Door een drommels abuis in de omslag ceel moest ik de groote bocaal depecheren door mijn keel Ik heb hem met volle genoegen na binnen gesonden op hoop er nimmer meer iets zal werden gevonden waardoor ik eenigzints zou wezen condemnabel, en tot het drinken van de bocaal tout plein perpetrabel Maar sal alles tragten te doen ten nutte
van Opperdijkgraaff en Hoogheemraden van Putten (C. van Hoogerwaard, 1779) Was dit versje nog met Franse woorden doorspekt, vaak ging men naar de mode van de tijd geheel op het Frans over: Quand je suis à table avec mes amis, Tout m'est agréable et le bon vin aussi (als ik met mijn vrienden aan tafel zit is alles mij aangenaam, ook de goede wijn) (N.Hooreman Jansz. 1762) Maar na de Franse tijd is men daar wel van teruggekomen. Het werd zelfs verboden de Franse taal ter vergadering te gebruiken, hetgeen leidde tot de vermakelijke aantekening: Heden de boccael gedronken ter oorsake dat ick tegens het verbod van den President fransch gesproken hadde, vragende quelle heure est il (hoe laat is het) in hope van den rentmeester in den boete te drayen. (M.M.Braat, 1813) Dikwijls probeert men om strijd te bewijzen hoe ontwikkeld en belezen men is. Talloze Latijnse spreuken komen voor: Veni, vidi, bibi (ik kwam, zag en dronk) (W.G.F.Grave van Bentinck als Ruard) Ook nationale gebeurtenissen, zoals de inhuldiging van Willem I als soeverein vorst, vormden een welkome aanleiding tot het uitbrengen van een dronk. Toch was niet ieder bereid de beker te drinken. Men kon het gebruik ook afkopen. De afkoopsom kwam dan ten goede aan de armen van de diverse plaatsen in de Ring van Putten Op 18 Meij 1797 H.Hoogendijk als dijkgraaff door indispositie gepasseerde jaar op de rekening aant gebruyk niet hebbende voldaan, verzoekt thans geëxcuseert te zijn met de presentatie voor yeder Armen in den Ring te geeven een gulden same vijff gulden. Dat toegestemt is en aan den Armmr. van den groten Armen op heeden voldaan. Vooral na 1800 is het aantal aantekeningen van afkoop steeds groter. Maar als iemand zonder meer weigerde aan het gebruik deel te nemen werd daarvan ook aantekening gehouden 23 mey 1799 Vermits de Fabricq (technisch opzichter) Pieter Blanken en desselfs zoon Quirinus Blanken niet verkoosen hebben de Bocaal te drinken, zoo is deselve door den Bode weg genomen. Soms komt iemand er ongewild goedkoop af: 21 mey 1794 Belooft den Heer Gevers de volgende rekening vol uyt te drinken, vermeds hij thans door indispositie daar toe buyten staat bevind Maar een volgende keer is er voor de heer Gevers niet geweest. Een nieuwe tijd brak aan, waarin voor ambachtsheren voorlopig geen plaats was. Een tijd waarvan Ds. J.van Lokhorst getuigt: Het algemeen belang kan nooyt bestaan dan wanneer de algemeene belangens in die welke men doorgaands bijzondere noemt zo werden ingemengt dat algemeen en bijzonder als woorden van dezelfde betekenis zijn; om nu van dit beginsel ook voor de nakomelingschap enen beleidenis afteleggen dronk ik als vertegenwoordiger des geheelen Bataafschen Volks eene door gulle vriendschap mij aangeboden beker en wenschte bij die gelegenheid aan den dijkgraaf, hoog-heemraden en elke ingelanden den best mogelijke zegen. De verleiding is groot uit de drinkboeken nog verder te citeren.
Ze zijn het waard ooit eens in z'n geheel te worden gepubliceerd. Maar ik hoop met het bovenstaande toch een beeld te hebben geschetst van de sfeer van de vergaderingen die gedurende zoveel eeuwen in ons Geervlietse stadhuis werden gehouden. 8 mey 1782 Hendrik Haverkamp die heeft den bokaal met vrees gedronken
die door den heer Ruart is ingeschonken en om niet meer te schrijven zo zal ik het hier maar bij laaten blijven.